Satan en Henk

In het land woont een man die niets te verliezen heeft. Naam: Henk. Beroep: Visser. Alweer? Nee. Beroep: Melkboer. Lekker, met melk zeulen. De melkboer is een man in een witte jas met een karretje en een witte bus. We zien hem tegenwoordig niet zoveel meer maar hij is er wel. Zeker als we het jaartal wat terugdraaien. Jaartal? 1956. Lekker oud. De man in de witte jas is melkboer en hij brengt melk rond in doorzichtige, glazen flessen met een gouden dop. Niet echt goud, hoewel hij er wel eens over na heeft gedacht. Wat als ze één keer, bij wijze van uitzondering, een fles uitbrengen die een gouden dop heeft? Dan kunnen mensen opeens een fles winnen met daarop een gouden dop. Dat betekent dan dat ze een geldprijs winnen, of een gouden dop. Dat zou vast voor meer verkoop zorgen. Wie wil er nou niet een gouden dop van een melkman ontvangen?

De melkman wandelt, met een kratje melk naar de voordeur toe. Mensen willen nou eenmaal melk. Af en toe doet er een mevrouw open die dan een beetje zwoel staart naar de melkman. Je weet wel wat ik bedoel. Maar de melkman kent zijn plek. Alleen witte melk, geen andere substanties. En dat doet hij goed hoor. Sharif, de andere melkman van het dorp op de hoek neemt zijn taak niet zo nauw. Zijn motto: klanten kun je maken.

Henk de melkboer komt na een uurtje werken aan bij een huis dat vrij groot is, hoe groot vraag je je af? Dat wil ik ook wel weten maar ik heb geen rolmaat bij me. Heel groot. Zo’n kast van een huis. Niemand zou voorzien dat deze dag anders zou verlopen dan andere dagen, zelfs andere dagen die van zichzelf al anders verlopen. Anders, dat is deze dag ten voeten uit.

Afijn, de melkman loopt, een eindje te lopen. Lekker lopen, lekker lopen. Het is immers een groot huis. Wacht hij is er al. Hij kent deze mensen. Het huis is van Jonkheer Froebel de la Krab-Veleijn-Haribal en zijn vrouw Trees. Jonkheer Froebel werkt thuis, hij zit boven in zijn royale met mahoniehoutenkantoor beklede slaapkamer zich om te kleden. Hij staat net op het punt om in zijn met mahoniehoutenslaapkamer beklede kantoor wat werk te verrichten, en daarvoor trekt hij graag “Werkkleding” aan, iets waar hij maar al te graag grapjes over maakt. Want het is natuurlijk gewoon een overhemdje. Trees zit beneden in de theekamer op een houtje te bijten. Ding dong. Daar is Henk, de melkman. Maar Trees doet niet open, Jonkheer Froebel doet niet open. Degene die open doet is Satan, de bediende.

“HALLO WIE IS DAAR” brult Satan. “De melkman”, zegt Henk voorzichtig. Er komt rook onder de deur vandaan. Satan had net een sigaretje opgestoken voordat hij open deed. Satan, de bediende, is maar wat blij met de melk. Deze ochtend had Jonkheer Froebel hem nog uitgefoeterd (Jonkheer Froebel houdt van roerei met een scheutje melk), dus nu kon hij morgen weer ontspannend aan het ontbijt beginnen. Satan afrekenen, Henk melk geven, iedereen blij. “Dààg”, “Hoooi”. Of.. Wacht eens even. Hij heeft te veel wisselgeld teruggegeven! En in de jaren 1956 was dat een ramp. Satan was inmiddels naar binnen, maar hij had de deur niet goed dichtgedaan. Onhandig. Henk tuurt om de hoek van de deur. “euh, pardon? Hmm?” Geen gehoor. Satan is weg.

Jonkheer Froebel de la Krab-Veleijn-Haribal is een verre afstammeling van het legendarische Krab-Veleijn geslacht uit West-Schots IJsland. De laatste tak, een sterk geslacht. Elke jaar komt de hele familie De la Krab-Veleins (kortweg ‘de la’, voor directe vrienden en familie, andere mensen die ‘de la’ zeggen worden gefussileerd. Nu gebruiken we het even voor het gemak. Daar dit een fictief verhaal betreft vertrouw ik er wel op dat het wel even goed gaat) bijeen voor een potje Golf.

De melkman loopt verder door het lege gebouw, op zoek naar Satan. Of nou ja, niet echt op zoek. Maar hij wil zijn wisselgeld terug. Godverdorie, hoe moeilijk kan het zijn. Dan treft hij daar Trees aan, nog altijd bijted op een houtje. Nu is Trees het type vrouw dat je krachtig kunt noemen. Je kunt haar een beetje vergelijken met een walvis. Ze is ook een zoogdier. Haar slanke postuur, goudkleurige haren en witte huid doet Henk denken aan de melkfles met de gouden dop. Hij heeft haar gevonden. Dit kon geen toeval zijn. Henk steekt een sigaretje op. Trommeletrom. Trommeletrom, we horen een trommelend geluid. De vrouw, Trees is een trommelaarster. In haar mond een houtje, in haar handen twee trommelstokken waar mee ze een vel bewerkt ter grootte van pak ‘m beet een koekepan. Trommeletrom. Het is een apart tafereel, en Henk is geintrigeerd.

Henk staat in de deuropening te kijken naar zijn Sirene. De goudharige bleke vrouw met haar trommel. De wereld verdwijnt. Even is er geen vloer meer, geen raam, geen lamp, geen sigaretje. Geen niks niet. Alleen haar, en hij en een dreunend tromgeluid. Henk kan het niet laten. Zijn mond valt open, het sigaretje valt uit zijn mond. Maar de tijd en de ruimte staan stil. Het sigaretje blijft op de plek staan waar Henk inmiddels niet meer staat. Achter zich, boven zich, onder zich, zwart. Henk, in zijn hand een mandje met zes lege flessen. Ze vullen zich met leegte, De vrouw blijft trommelen, trom trom. Ze heeft hem door, maar ze reageert niet.

De Melkman, hij is er en hij heeft nog steeds een witte jas aan. Witte jas. Hij loopt door het huis en bewondert de trommelende Trees. Achter zich staat Satan en Henk heeft hem niet door. Satan is van het schrikken. Hij tilt zijn hand langzaam op en dan plots, tikt hij tegen het oorlelletje van Henk. Henk kijkt om en ziet Satan snel wegrennen. Nu is Satan niet zo groot dus Henk rent achter hem aan en heeft hem zo ingehaald. De gang is lang. Henk komt naast Satan rennen. Henk zegt dat hij dat niet fijn vindt wat Satan nou net heeft gedaan. Satan zegt oh sorry, het ging perongeluk maar Henk gelooft dat niet zo, dit soort dingen gaan niet per ongeluk. Henk en Satan rennen een eindje door de gang. Ze zijn nu toch lekker bezig dus waarom niet. Ze komen langs een schilderij van Jonkheer Froebel. Zo’n statig portret, waarop het lijkt alsof de geportretteerde je vanuit elke hoek van de kamer aankijkt. Jonkheer Froebel rookt een pijp op het portret.

Terug naar Jonkheer Froebel in zijn werkkamer. Hij rookt een pijp. Hij zit in zijn werkkleding in zijn werkkamer te werken aan werk. Man man, wat kan die man werken. Als Jonkheer Froebel hard aan het werk is, bijvoorbeeld om zijn vispetjesfabriek in goede banen te leiden, dan neuriet hij altijd in zichzelf. Hmm hmm hmm, werkiewerkie, hmm hmm. En soms, als hij heeeeel erg veel te doen heeft, dan schreeuwt hij heel hard HM HM HM WERRKRKKIEE WEEEERKIE WEEERKIE. Daarmee kwam het werk sneller af. Je zou zeggen dat dat juist alleen maar slecht is voor de concentratie. Maar dit was niet het geval bij Jonkheer Froebel. Het was zelfs zijn geheime wapen, waarmee hij sneller en harder kon werken dan de concurrentie van de vispetjesfabriek en andere visgerelateerde fabrieken die hij ook in bezit heeft sinds de overname van ’54.

De pijp van Jonkheer Froebel is opgeraakt, dus hij heeft meer pijpspullen nodig. Hij roept zijn bediendeSATAN SATAN WAAR BEN JE. Geen gehoor. He, verdorie. hmm hmm LOOP LOOP LOOP Jonkheer Froebel wil snel lopen. De pijpspullen heeft de heer Froebel dacht ik beneden neergelegd, dus hij gaat daar even kijken. Ja inderdaad daar ligt het. Beneden is ook Trees aan het trommelen. “Goedendag Trees, hoe maakt u het?” HEEEL GOED FROEBEL IK BEN AAN HET TROMMELEN.” Trees stopt met trommelen. Een stilte valt over de kamer heen. Dus begint ze maar weer. TROMMEL TROMMEL TROMMEL. Froebel heeft zijn pijpspullen en wil weer naar boven. Maar hij is toch benieuwd naar waar Satan is. Froebel loopt een kamer in. In de kamer staat een standbeeld, maar geen Satan. Froebel loopt de keuken in. In de keuken staat een chef, Megatron, de bietjes te snijden. Hmm. Bietjes. Maar geen Satan. Dan maar de lange gang in, zucht. Erg praktisch was het niet om een gang van 5km te laten bouwen, maar hij had wel de langste gang van de hele wereld.

Satan en Henk zijn inmiddels lekker in een jogtempo geraakt. Ze komen langs een hoop interessante dingen. Satan was zelf nooit zo ver in de gang gerend, omdat Froebel meestal in het huisgedeelte zelf zit. Iedereen was het er eigenlijk wel mee eens dat de gang een erg onpraktisch ding was. Froebel zal wel blij zijn dat hij een keer goed gebruikt wordt. Maar zo zie je dat vaak bij gangen van 5km. Het lijkt leuk maar na 3 keer doe je er niets meer mee. De gang buigt en helt een beetje naar rechts. Zeer aangenaam lopen is dat wel. De gang is behangen met een verticaal strepenpatroon, heel chique, heel wow. Dat geeft het gevoel alsof je heel snel gaat als je door de gang rent. Het was een idee van Froebel zelf. In de verte zien ze een splitsing. “Huh? ik wist niet dat er een splitsing was!” Riep Satan. “Kom we gaan linksaf” zegt Henk de Melkman in de hoop dat het een lus is en hij uiteindelijk weer omgedraaid is en daarmee terug de gang in loopt. Satan vindt het een goed idee en samen loopt het duo links de splitsing in. Meer gang, meer van hetzelfde.

Jonkheer Froebel is inmiddels een stuk op weg in de gang. hm hm hm loop loop loopie loop. Hmm, deze gang moet nodig eens een keer afgestoft worden. Maar er staan verse voetstappen op de vloer. Twee paar! Froebel voelt zich opeens wat minder veilig en alleen in zijn eigen gang. “Die gang was een slecht idee” denkt de jonkheer. Froebel staat stil. Achter zich heel stil het getrommel van Trees. Voor zich hoort hij ook wat. Hij hoort twee paar voetstappen. Ze worden luider. Daar komen Satan en nog iemand aan, wie is dat? En waarom joggen ze? “HOOOO HOOOOO STOP” Roept Froebel. Wat moet dat in mijn huis? Satan en Henk stoppen hijgend en puffend voor de heer Froebel. Henk probeert een hand te geven aan de markante eigenaar van het pand maar hij heeft zijn handen vol met een rekje lege melkflessen en in de andere hand wisselgeld.

“Henk komt zijn wisselgeld ophalen” zegt Satan, die inmiddels tijdens het joggen even kennis heeft gemaakt. Froebel trekt zijn portemonnee. “Alsjeblieft jongen” zegt Froebel terwijl hij Henk 2,50 geeft. “Maar goed dat ik die lus in heb laten bouwen, anders was ik jullie voor altijd kwijt geweest”. Hahaha iedereen lacht. “Ja, nou, we hadden ook om kunnen keren” zegt Henk vervolgens. Froebel en Satan kijken elkaar aan. Zo hadden ze er nooit over nagedacht. Satan steekt een sigaretje op. Henk sjokt maar weer richting de voordeur. Nog 1km terug te gaan. Wat een dag. Froebel en Satan lopen mee. “Satan je moet hier een keer stof afnemen, kijk eens wat een stof.” Satan lacht en zegt: “Haha, je bent zelf stof”. Henk moet lachen. “HAHA” Froebel moet lachen. “HAHA LACHIE LACH” Satan moet nu ook lachen HAHAHA. Iedereen moet lachen HAAAA HAAA HAAA

Henk is weer bij de melkbus aangekomen. “Nou, ik ga maar weer.” Satan en Froebel zwaaien hem uit. Henk rijdt in zijn witte busje de lange oprit uit en draait de weg op. Satan zegt tegen Froebel: “Dat is de meest toegewijde melkman die ik ooit heb gezien”. Froebel vraagt of hij morgen weer zijn oude omeletje krijgt. “Ja.” Zegt Satan. “hmm hmm” zegt Froebel en hij loopt de trap op, naar boven om verder te gaan zijn fabrieken in goede banen te leiden.

Trommel trommel. Trees kijkt sluw. Was dit het einde? Nu misschien wel. Maar misschien ook niet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *