Kees en Frederik

Een vriendin zei ooit eens tegen me dat ik eens fictie zou moeten schrijven. Dat probeer ik dan maar een beetje. Ik weet niet of ze dat tegen me zei omdat ze me leuk vindt, maar dat weet ik ook niet zeker. Afijn. Maakt ook niet uit. Ik ga lekker een stukje fictie schrijven! En om me te helpen had ik al een leuke site gevonden met wat schrijfoefeningen.

Ik genereer 2x drie karaktereigenschappen. Karakter 1 is idealistic, dependable, lively en karakter 2 is decisive, idealistic, cheerful. Kijk. Dat komt mooi uit, ze zijn allebei idealistisch. Daar kan ik wel wat mee. Of niet. We zien wel.

Kees en Frederik zijn twee jongens van 15 en ze hangen in een parkje in hun woonplaats, het dorpje Doorn, twintig minuten rijden onder Utrecht. Kees is een levendige jongen. Hij heeft twee ogen, een neus en een mond. En haar. om precies te zijn krullend haar en een mooie rij tanden. Kees is wel wat onzeker over zijn neus, maar zijn moeder zegt dat dat onzin is. Kees wantrouwt dat altijd een beetje. Misschien dat hij ooit nog wel een neuscorrectie neemt. In de klas wordt hij wel eens uitgemaakt voor Jood. Maar omdat Kees de oudste in de klas is, begrijpt hij dat het ook een beetje aandachtvragerij is.

Frederik is een echte kakker. Hij draagt een dure Canada Goose jas die hij met kerst van z’n ouders heeft gekregen. Ook Frederik heeft haar, neus, tanden, etc. In dit geval zijn zijn haren golvend en bruin. Frederik valt in de smaak bij de meisjes, want hij speelt in de spits van het 1e hockeyteam van DMHC ’70, de Doornse hockey, en zit in de selectie. Hij is er goed in, maar vindt het eigenlijk niet zo heel leuk.

Frederik en Kees zijn twee echte makkers die elkaar al gevonden hebben vanaf dag 1 op het Doorns Lyceum. Wat hun bindt is hun idealisme. In het park staat een speeltuintje. Kees bungelt wat onhandig op de schommel waar hij veel te groot voor is. “Casemeister, zouden we over vijftig jaar in deze tijd van het jaar in korte broek lopen?” vraagt Frederik zich af. Kees mompelt wat. “Ik bedoel, met de opwarming van de aarde enzo. Ik weet dat het niet helemaal pluis is, maar is dat eigenlijk niet super chill?” Kees lacht. “Kan je die dure jas van je wel weggeven. Maar je hebt gelijk. Het is dan vast een stuk warmer. We zijn nu jong, daar kunnen we wat aan doen. Wordt dat ons masterplan?”. “Daar kun je wel een hoop mensen blij mee maken. Maar ik weet niet of je er per se heel rijk mee wordt.” Kees had dit altijd een beetje een non-argument gevonden. Frederik was hartstikke materialistisch, dat was hem met de paplepel ingegoten. Maar hij was ook wel betrokken bij dingen die hij belangrijk vond. Daar had Kees altijd wel bewondering voor. Kees had niet zo’n zin om een lange discussie met hem aan te gaan over dit onderwerp, hij vond het maar saai. Frederik vond het ook maar saai. Ze stonden allebei niet echt stil bij het idee dat ze wel eens een onderdeel konden zijn van een schrijfoefening. Dat zou hun hele bestaan nogal op losse schroeven zetten. Frederik voelde zich niet zo lekker.

“Voel je dat ook?” Zei Frederik. “Wat bedoel je?” Zei Kees. “Ik kreeg een heel vreemde rilling langs mijn rug, en een soort lichtflits. Ik voelde me even heel leeg.” Kees bevroor. Hij stapte van de schommel en liep naar Frederik toe. “Volgens mij weet ik wat je bedoelt. Alsof je je een stripfiguur voelt in een verhaal.” “Precies!” Riep Frederik. “Ik word niet goed geloof ik.” Langzaam kwamen de jongens erachter dat er iets aan de hand was. Er leek iets aan de hand te zijn met dit verhaal. Alsof elke keer een vierde wand werd doorbroken. En het besef dat ze elk moment iets zouden kunnen overkomen doordat hun lot was overgelaten aan de grillen van degene die het verhaal bepaalt “Nou voel ik het weer! Dit is niet goed, dit. is. niet. goed. man.” Kees en Frederik raakten in paniek. Wat konden ze doen? Ze waren gevangen in een verhaal. En ze waren misschien wel idealistisch en vrolijk, daar heb je feitelijk niks aan als je niet echt bestaat. Kees en Frederik liepen in paniek rondjes te rennen rondom het speeltuintje. Dat hielp niet echt, dus renden ze van het speeltuintje het park uit, de drukke weg over (zonder te kijken) en langs het fietspad richting hun huis (ze woonden in de buurt). Maar tijdens het rennen merkten ze dat ze niet vooruit kwamen. Het had geen zin, ze waren gevangen in het verhaal. Dus stonden ze maar stil. “Ik ben kapot” zeiden ze op exact hetzelfde moment tegen elkaar. Ze keken elkaar aan. Dat was raar. Alsof ze totaal geen controle meer hadden over hun eigen acties. Plots begonnen ze weer met rennen, terug de weg over, Frederik raakte bijna een oranje bestelbusje, terug naar het parkje, en naar het speeltuintje. “Help! Dit is niet grappig meer! Wat gebeurt hier!” Riep Kees, terwijl hij probeerde zijn eigen wil te zoeken en te stoppen met rennen. Dat lukte hem niet. Toen de jongens aan waren gekomen bij het speeltuintje konden ze even uitrusten. Kees keek Frederik aan. Zou het dan echt…? “Zijn we slechts een schrijfoefening?” vroeg Frederik maar in het luchtledige. Er kwam geen antwoord. Kees begon rondjes te rennen rond het speeltuintje. Frederik ging op z’n kop staan. Tijdens dat Kees rondjes rende riep hij: “FLIERE FLARE FLOEP, IK RUIK EEN BEETJE POEP”. Frederik moest lachen. Frederik moet HEEL HARD LACHEN. Frederik moest zo hard lachen dat hij alle vogels in het bos wegjoeg. “HAHAHAHAHA”. Maar hij bleef maar lachen. “HAHAHAHAHAH” Totdat hij het niet meer leuk vond. Hij had geen controle meer over zijn acties. Hij lachte zo hard dat hij moest kotsen. Het kwam uit zijn neus, en uit z’n oren ook. Dat was wel een beetje raar. Arme Frederik. Opeens hield zijn gelach op. He he, even uitrusten. Terwijl Kees nog steeds rondjes rende rondom de speeltuin (hij had bijna geen adem meer over). Zat Frederik verbaasd te kijken naar Kees. Wat gebeurt hier in godsnaam? Frederik riep tegen Kees: “Hee Kees, stop gewoon man!” Dus Kees stopte gewoon. Dat wilde hij zelf. Dacht ‘ie. Hehe. Kees en Frederik zaten in het zand van het speeltuintje uit te puffen. Ze waren er stil van. “Alsof je geen eigen wil hebt, dat had jij ook toch?” Zei Kees. Frederik zweeg. Wat een dag. Voor Frederik en Kees was het nu duidelijk. Ze bestonden niet en ze waren onderdeel geworden van een tekstschrijfoefening. Als dat maar goed ging.

Toen de jongens waren uitgerust begonnen ze weer met rennen. Ze renden weer het parkje uit, richting huis. Waarom ze dat deden wisten ze zelf ook niet, maar ze hadden zich er maar bij neergelegd. Hoezo vrije wil? Maar toen gebeurde er iets vreemds. Elke keer als ze het parkje uitrenden, leek het alsof ze weer een beetje controle terug kregen over hun eigen acties. Alsof iemand had beslist dat ze hun lot in hun eigen hand hadden. Ze konden weer rustig stilstaan. En even uitpuffen. Maar niets is wat het lijkt. Helaas zijn ze nog steed onderdeel van een schrijfoefening. En de schrijver had er eigenlijk niet zoveel zin meer in. In de verte hoorden ze een zoemend geluid. Bijen! De jongens zetten het op een lopen. Langs de weg. Ze werden achterna gezeten door de grootste bijenkolonie die ze ooit hadden gezien. Waar ze vandaan kwamen? Geen idee. Maar ze waren er, ze waren groot en ze werden ingehaald. Prik, prik prik. Au Au au! Arme Frederik en Kees. En zo zijn we aan het eind gekomen van onze twee helden. Twee jongens, gevangen in een verhaal. Ze konden er niets aan doen, overgeleverd aan de grillen van de schrijver, die ze genadeloos ten onder liet gaan. Dood door bijensteek. Een gemakzuchtige, ongewone dood. Maar ze werden niet gemist. Ze bestonden immers niet. Of wel?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *