Deur

Ik heb altijd al eens die deur geel willen verven. Niet dat blauw nou zo vervelend staat. Afplakken die hap, rolletje tape hoppa. Kwasten maar. Nog geen uurtje werk, schat ik in. Hoewel, hij moet natuurlijk eerst even geschuurd worden. Hoe moeilijk kan het zijn. Zo’n driehoekig ding, bij de Gamma. Stekker eraan. Nee, accu. Dat is mooier. Dan zit je niet zo te klooien met een verlengsnoer, of haspel. Een haspel is een verlengsnoer maar dan op een rol. Prima zo. Ruitje afplakken, driehoeksschuurding met accu kopen. En van die schuurplaatjes erbij met klitteband aan de onderkant. Daar heb je vast verschillende ruwheden in. Doet er niet toe. Verf kopen, geel. Zou daar nog veel verschil in zijn? Het moet wel matchen bij de rest van het huis. De rest van het huis is geel. Dat moet lukken. Fietsje pakken. Waar ligt m’n sleutel. Misschien eerst een lijstje maken. Verf, Geel, Hee, een vogel. Wacht. Verf, geel, schuurding, driehoekig, groen. Meestal zijn die schuurdingen groen. Blegh. Of blauw, Gamma eigen merk. Blauw is beter. Doet er niet toe. Hoewel, blauw is best een leuke kleur. Ik laat hem maar zo.

Ik ben een fiets

Ik ben een fiets. Op mij zit een man. Hij duwt mijn trappers voort met zijn beige timberlands. De koffer die hij draagt, daar zit een gitaar in, ik voel het. Ik stik van het slot dat hij strak om mij heeft gewikkeld. Alsof iemand interesse heeft in mijn zadelpen. Godzijdank, hij stapt af. De klootzak. Vorige week reed hij me met volle vaart een stoeprand op. Ik voel me beschadigd, respectloos betrapt. Ik staar wat voor me uit. Geluid maken is zinloos. Anderhalf jaar geleden –alsof het niets was– ramde hij mijn mooie stuur tegen zo’n fietsrek aan. Je weet wel, zo’n onhandig groot woud van rijen aan rijen pisbakkenstaal in de vorm van een nietje gekant. Met een lagertje. Trek hem eruit, duw me erin. Zet me maar weg. Alsof ik een gezellig gesprek start met die pretentieuze e-bike naast me. En toen was het pats, weg fietsbel. Gooi mij maar in de gracht.