Dirkje klapte tegen een lantaarnpaal

Geef mij een rijtje van 5 gouden tandjes en ik tover je de wereld. Dat is wat mijn collega bij het kopieerapparaat niet tegen me zei. Sterker nog, hij nodigde me uit voor een feestje. Of ik het leuk vond om, samen met een handjevol andere collega’s en hier en daar wat aanhang zijn verjaardig wilde vieren. Tuurlijk. Het is niet alsof ik wat beters te doen heb op vrijdagavond. We verlengen de vrijdagmiddagborrel wel. En rijden we met z’n allemaal aangeschoten naar zijn huis. Wie het eerste aankomt, dat is dan wel spannend. Brokken maken is pizza’s betalen, vaste regel bij elke verjaardag. De Bob? Een vergeten concept van een een eenvoudigere tijd van voor de dotcombubbel. Vroem! En als we welig tierend met een puntige flap pizza in onze achterkiezen de avond benaderen zullen we elkaar op de schouder kloppen. De collega’s, de aanhang en kleine dirk, die was blijven hangen aan een lantaarnpaal. We sturen hem de pizzarekening wel via whatsapp. Van de doos was weinig meer over. Spiegeltjes schijnen in m’n ogen, het is na middernacht en het lokale buurthuis ademt het volk naarbinnen. Of we allemaal een stoel willen pakken om te kijken wat er temidden de dansvloer gebeurt. Niet veel, kan ik je vertellen. Een anderhalve man zoent met een paardekop en dat is het wel. En terwijl de zon opkomt vraag ik me af waar de rest van de nacht gebleven was. De collega’s, één voor één achtergebleven in een lantaarnpaal dan wel een met chlamydia besmette paardenkop maar zo bedoelde ik het niet. Wel een beetje respectvol blijven, dat is wat we tegenwoordig willen, met z’n allen. Fietslichtcontrole? Nu geen risico. Het dekbed trek ik over me heen, en ik word wakker naar de dag die gaat komen. Hoera weekend. Vishengels, rally kijken. Dat ene dingetje met die decoupeerzaag en een pakkie melk. Vraag mij niet hoe ik het elke keer weer voor elkaar krijg maar het geeft me gewoon die energie, die ‘vibe’ als ik denk aan de nacht van zaterdag op zondag. kauwen. Kijken. voelen. drinken. Gaap. Is het al zondag? Ik sta op een pallet, koffie in m’n klauwen. Niet 3, maar twee rake klappen van de windmolen hebben me de das om gedaan. Dit is grijs, zo. uitzitten. Maandag. Ja ja.

Deur

Ik heb altijd al eens die deur geel willen verven. Niet dat blauw nou zo vervelend staat. Afplakken die hap, rolletje tape hoppa. Kwasten maar. Nog geen uurtje werk, schat ik in. Hoewel, hij moet natuurlijk eerst even geschuurd worden. Hoe moeilijk kan het zijn. Zo’n driehoekig ding, bij de Gamma. Stekker eraan. Nee, accu. Dat is mooier. Dan zit je niet zo te klooien met een verlengsnoer, of haspel. Een haspel is een verlengsnoer maar dan op een rol. Prima zo. Ruitje afplakken, driehoeksschuurding met accu kopen. En van die schuurplaatjes erbij met klitteband aan de onderkant. Daar heb je vast verschillende ruwheden in. Doet er niet toe. Verf kopen, geel. Zou daar nog veel verschil in zijn? Het moet wel matchen bij de rest van het huis. De rest van het huis is geel. Dat moet lukken. Fietsje pakken. Waar ligt m’n sleutel. Misschien eerst een lijstje maken. Verf, Geel, Hee, een vogel. Wacht. Verf, geel, schuurding, driehoekig, groen. Meestal zijn die schuurdingen groen. Blegh. Of blauw, Gamma eigen merk. Blauw is beter. Doet er niet toe. Hoewel, blauw is best een leuke kleur. Ik laat hem maar zo.

Ik ben een fiets

Ik ben een fiets. Op mij zit een man. Hij duwt mijn trappers voort met zijn beige timberlands. De koffer die hij draagt, daar zit een gitaar in, ik voel het. Ik stik van het slot dat hij strak om mij heeft gewikkeld. Alsof iemand interesse heeft in mijn zadelpen. Godzijdank, hij stapt af. De klootzak. Vorige week reed hij me met volle vaart een stoeprand op. Ik voel me beschadigd, respectloos betrapt. Ik staar wat voor me uit. Geluid maken is zinloos. Anderhalf jaar geleden –alsof het niets was– ramde hij mijn mooie stuur tegen zo’n fietsrek aan. Je weet wel, zo’n onhandig groot woud van rijen aan rijen pisbakkenstaal in de vorm van een nietje gekant. Met een lagertje. Trek hem eruit, duw me erin. Zet me maar weg. Alsof ik een gezellig gesprek start met die pretentieuze e-bike naast me. En toen was het pats, weg fietsbel. Gooi mij maar in de gracht.

Eefje

Eefje de Visser, ongeveer. In een vlaag schrijf ik nu over genieten van muziek. Hoe weet je of muziek landt? Binnen de eerste seconde begint er onderin je rug een tinteling die je nek in rent. De gitaar belooft: zo gaan we het aanpakken de komende paar minuten. De toon is gezet, er is akoestiek en sfeer.  Je zintuigen mogen aan het werk. Ah, kippenvel. Dat melancholische gevoel dat je bang bent, dat je het gevoel hebt dat je uit elkaar aan het brokkelen bent. Ik vang een vlaag woorden op en hang er betekenis aan. De muziek landt, vochtige ogen. De tekst maakt niet zoveel uit. De laatste paar weken hebben m’n hersens een slotje bedacht, en deze muziek is nu even de perfect geslepen sleutel op hem te openen.

Ik kan me niet neerleggen bij de gedachte een specialist in een bepaald onderwerp te worden. Het is de makkelijke weg. Ben ik wel een echte ondernemer? Ik word specialist in ondernemerschap. Mensen bij elkaar zetten, samen mooie dingen maken. Risico’s inperken. 1000 dingen tegelijkertijd in de lucht houden. Melancholiek: een gemoedstoestand die neigt naar depressie en zich kenmerkt door een verdrietige kijk op het verleden of een onvervuld verlangen.

Het kippenvel, de directe beloning. De tranen, liefde. Ik word liever niet gezien als ik van mooie muziek geniet. Volgend nummer.

Woord

Dat gevoel dat je de wereld gaat veranderen, hoop. Inspiratie. Pindakaas. Woorden. Het zijn maar lege hulzen als ze er niets toe doen. Ik kan hier schreeuwen:

HOI LEZER!

En wat maakt het uit. Ik schrijf dit voor mezelf, niet voor jou. Je mag meelezen. Jij, lezer staat aan de zijlijn van mijn éénmansvoetbalspel. Een beetje stil mee te kijken hoe ik onhandig een bal over het veld schop terwijl ik tegen mezelf praat: “het maakt niet uit, dit doe je voor jezelf, je publiek is leuk maar niet relevant. schrijf maar gewoon, schrijvertje. Schrijf maar gewoon die woorden die in je opkomen. woorden als Kers, Automobiel en Vla.” En jij, de lezer, mag dan van alles denken. Ik oordeel niet. Jij mag gerust oordelen. En stiekem hoop ik dan ervaring op te doen met schrijven. Waarna ooit een moment komt dat mijn schrijven door zal breken, en ik beroemd raak. En dan? Dan doe ik nog steeds hetzelfde. Poe.

Dit is het, hoor. Deze woorden, die hier nu dynamisch onder mijn knipperende cursor verschijnen hebben net zoveel betekenis als dat we zelf belangrijk vinden. Voor hetzelfde geld ben jij, lezer, al afgehaakt en typ ik hier in een lege nietsheid. Dan kan ik hier gewoon een zin neerzetten, zo absurd, want hij wordt toch niet gelezen. Een zin als: Vandaag  heb ik zeshonderdvijfendertigduizendriehonderdbakvis andersoortig melaatse vloerpartijen in de bocht genomen.

Lekker typen over de dingen. Gewoon. Dingen. Eigenlijk weet ik dan niet precies waarover. Soms heb je van die dagen. Ja beste mensen, vandaag staat hier geen meesterwerk. U zou het moeten doen met dit stukje tekst. Ik adviseer u, lees dit niet. Er zijn nuttiger dingen te doen om uw tijd aan te besteden. Had ik dat u aan het begin van dit verhaal kunnen vertellen? Maar natuurlijk! Ik ben immers de schrijver. Maar dat heb ik niet gedaan en nu leest u niets. Wat ik zeg, het is geen pareltje, dit.

En wat dan nog! Ik zit hier niet om pareltjes te schrijven. Ik schrijf hier rauwe brij op. Woordenkots, om lekker opgelezen te worden. Lees mijn kots, lezertje. Bla bla bla. Ik hou van je, lezertje, maar vandaag gaat het gewoon even over mij en mijn woordenbrij.

Hebban olla vogola.

22 mrt ’16, 7:50 – 8:15

Flow meten

Hoe lang duurt “flow” eigenlijk? Ik ben benieuwd hoe lang en hoe vaak een goede flow sessie duurt. Hoe vaker in de flow, hoe meer ik gedaan krijg. Dit gaan we maar eens bijhouden. Misschien raak ik dan wel verslaafd aan flow..!

Do 24/03/16 10:30 – 12:00 (1,5u) projectvoorstel
Di 22/03/16 14:45 – 15:30 (0,75u) projectvoorstel, schetsen
Di 22/03/16 11:00 – 13:00 (2u) projectvoorstel opzet en schetsen
Di 22/03/16 9:15 – 10:30 (0,75u) projectvoorstel
Ma 21/03/16 14:45 – 16:15 (1,5u) 3d modeling
Ma 21/03/16 09:45 – 12:45 (3u) projectvoorstel

Spelregels

  • Telefoon uit
  • Stopwatch aan

Oh, ja.

Tja wat wil ik nog een beetje vertellen zo? Dat de wereld veranderd kan worden en dat verandering moeilijk is? Dat weet ik ook wel. Dat de donkere verleiding van het mobiele apparaat een destructieve is. Ik wil tijd maken voor ontspanning op m’n telefoon, want dat hele tussendoorgedoe werkt niet. Korte concentratiesprints van een uur of 2. Plannen maken, afspraken nakomen, ook met mezelf. Of zo goed mogelijk. Goed eten, veel bewegen. En ’s avonds tijd om even een uurtje mobiel tijd te verdrijven. Moet kunnen. En tussendoor? Een afspraak plannen via whatsapp is een gedoe, want heen en weer appen. Daar heb ik zo geen oplossing voor. De vraag is; komt dat scenario voor? Berichten compacter maken en met een hoge informatiedichtheid is de oplossing.

Hoe komt het nou dat het mis is gegaan met het bloggen? Nou ja, mis. Het is wel ff stil nu. Ik ging er prat op dat ik elke dag blog, maar feit is, ik doe dit 99% voor mezelf. Als een middel om meer gedaan te krijgen op een dag. Elke dag een schrijfritueeltje. Niet verkeerd.

En die telefoon, die dopaminegenerator. Misschien moet ik gewoon genieten van haar aanwezigheid. Elke dag een uurtje toestaan. Het is de afwezigheid van mensen die alles zo zwaar maakt. Eenzaamheid ik zie ik als de reden voor futloosheid. Genoeg mensen blijven zien, dus.

Oppakken

ma 21/3 8:00 – 8:15

Hoi Blog, daar was ik weer, terug van weggeweest. Ik heb geen zin om een heel moralistisch verhaal op te gaan hangen. Ik heb geen zin om met mijn vinger te wijzen en te zeggen: deze en deze aanpak is de beste aanpak. Want hierom en hierom. Want ik doe maar wat.

Ik zie dit als een nieuw begin, een tweede poging van dagelijks schrijven als therapeutisch middel. Het gevoel van productiviteit dat het geeft aan het begin van de dag, helpt me ook beter aan andere dingen te beginnen. Dat is de theorie. Gebaseerd op de universaliteit van: begin maar gewoon, dan gaat het werk daarna vanzelf.

Ik heb het nodig. In de opstartfase van mijn bedrijf zijn er genoeg dode momenten. Veel werk te doen, maar niets is urgent. Acquisitie moet gedaan worden, maar waar precies is me een raadsel. Angst overvalt me als ik denk aan een samenwerking met “mensen in de aannemerswereld”. Mijn vooroordeel is dat het keiharde types zijn. Onderhandelen tot de bodem. En, zoals altijd, sta ik ook hier er wat langer bij stil en denk ik: ach, ik weet wat ik wel en niet wil, dus dat keiharde onderhandelen zal wel meevallen.

Nog zo’n angst: Wat als ik iets beloof en niet lever? Veel werken met go-no go momenten, resultaatverplichtingen aangaan. Man man, wat een angsten. Vind ik het nog wel leuk? Wat moet er gebeuren om dit verhaal tot een succes te maken? Ik heb geen zin om straks in de zomervakantie zonder poen te zitten, en ik ben nu hard op weg om dat scenario waar te maken.

Nee. Het wordt tijd voor een optimistisch verhaal. Er zijn zat potentiële opdrachtgevers in de wereld, en we hebben al een gesprek gehad waar we een voorstel bij mogen neerleggen. Mooi is dat, toch? En vandaag gaan we daar eens fijntjes mee aan de slag. Had ook vorige week gemogen, maargoed. Het is niet anders.

Hoe komt het nou dat ik op een gegeven moment gestopt ben met dit blog? Ik kreeg er veel creatieve energie van. Het maakt ook niet uit, vanaf vandaag gaan we elke dag weer wat schrijven. En vroeg op, want dat is goed voor de geest. Structuur enzo.

Bram, jij kunt dit.

Gedrocht op visite

Het beest, het gedrocht. Het stinkende, rode geschilferde, 3 meter hoge beest met zijn grote snuit loopt door de straat van een hollandse jaren zeventig woonwijk. De keurige doorzonwoningen met hun oranje dakpannen liggen er netjes bij. Het gedrocht loopt op een willekeurig huis af. Binnenin het huis zit een gezinnetje the voice te kijken. Het gedrocht loopt DOOR de woning heen. Alles om hem heen breekt. Het gedrocht begint aan de keukenzijde. Het keukenraam breekt als eerst. Het aanrecht breekt in tweeën. De keukentegels breken aan diggelen, waarna er alleen nog een mozaiek van te maken is. Het plafond komt ter hoogte van de torso van het gedrocht. Het plafond krult op. Het gedrocht is aangekomen bij het zitgedeelte.

Een meisje op tv zingt een liedje van Adéle. Dit meisje heeft niet door wat er zich gaat afspelen in deze woonkamer. Het gedrocht grijpt met zijn klauw de TeeVee vast en vermorzelt de projectie van het meisje in zijn krachtige klauwen. Vonken vliegen er vanaf. Het vervormde geluid van Adéle blijft uit de perfect werkende speakers komen waarna het gedrocht vuur blijkt te kunnen spuwen die hij richt op de Stereoversterker die de Man des Huizes die zelfde week nog vaardig aan de televisie heeft geklust met een AUX kabel. Voor de zekerheid wordt de verkoolde versterker nog in twee stukken gescheurd als ware het een aviertje.

De familie verschuilt zich in de woonkamer, wetende dat zij dit niet gaan overleven. Het gedrocht richt zich tot de familie. Het is een wat apart tafereel want het gedrocht is moeilijk te zien met zijn hoofd op de volgende verdieping. Hij maakt wat ruimte door met zijn torso het gat in het plafond van de woonkamer groter te maken. Er valt een bed naar beneden, op de hond. Door een stapje achteruit te nemen ziet hij het angstige gezin in een hoekje zitten. Hij begint met het jongste kindje vandaag. Het kindje schuilt onder de bank, de trillende voetjes verklappen de aanwezigheid. Het gedrocht trekt het onder de bank vandaan en pakt het krijsende stukje ellende in zijn linkerklauw vast. Eerst het kopje eraf, heeft hij geleerd op de school van gedrochten. Dan blijft de rest lekker mals. Plop. Bloed spuit de woonkamer in. Op de rode Norsborg hoekbank zien we er gelukkig niets van. De armpjes spartelen nog wat na. Ondertussen begint moeders ongelooflijk te krijsen. Dit was altijd het nadeel van zo’n binnenwandelsessie. Je verscheurt letterlijk zo’n heel gezin en dat moet geuit worden op de een of andere manier. Het gedrocht bijt de jongste af tot aan de onderbuik. Het malse orgaanvlees smelt zachtjes op de ruwe tong van het gedrocht. De benen bewaart hij voor later, Daar maakt hij straks een salade van.

Dan is de Moeder aan de beurt. Hij heeft het niet zo op moeders. Hap slik weg. Taaie schedel deze keer. Krak. De lelijke spataderbenen van de moeder halen de salade niet. Het gedrocht opent voorzichtig de GFT-bak en propt de benen tussen het resterende tuinafval en de gebruikte senseo-pads, het past allemaal maar net. Vanavond zou hij aan de straat gaan. Vader en de oudste zitten lijkbleek in een hoekje hun lot af te wachten. Het gedrocht besluit nog eventjes te wachten met die twee.

De hele vloer van de woonkamer is onder het bloed komen te staan. Plens plens. Van de keuken is weinig meer over. De eetkamertafel staat er nog wel vrij netjes bij. Dus het gedrocht zorgt ervoor dat deze nog eventjes plat wordt gemaakt. Een relatief klein klusje voor een gedrocht. Het is tijd voor een tweede ronde. Het oudste kind, een puber van een jaar of veertien, zit huilend als een baby in de hoek van de kamer. Hij voelt zich niet fijn. Het gedrocht hurkt door de gedrochtenknieeen en voor de eerste keer ziet de puber het lelijke, korsterige gezicht en grote snuit van het gedrocht. Het zal het laatste zijn wat hij ziet. In de ene klauw, het lijf. Met de nagel van zijn andere klauw snijdt hij de keel van de puber door. De hoge druk van het bloed spuit in de mond van het gedrocht. Het smaakt hem voortreffelijk. Het linkerarmpje, het rechterarmpje worden als kippenpootjes losgetrokken van het rompje. Het wil niet echt, alles is een beetje glibberig geworden van het bloed. Nog een keer. Nu wel, het armpje scheurt los en er blijven nog wat spieren en pezen aan het uiteinde bungelen. Spelen met je eten wordt aangemoedigd op de school van gedrochten. Angst kan als een natuurlijk specerij werken, je hebt erna eigenlijk niets nodig. Sommige gedrochten nemen wel eens zout mee naar hun binnenwandelsessies, maar deze probeert een beetje op z’n bloeddruk te letten.

De benen van de oudste worden aan de kant gelegd. Twee paar benen voor in de salade nu. De voeten blijven altijd een half uurtje natrillen. Als het gedrocht snel is proeft hij dat nog, dat kietelt dan zo lekker in de mond. Vader is over. Heldhaftig staat hij op. “Hier ben ik, doe wat je wilt” zegt de vader heldhaftig als een held. Iets waar hij spijt van zal krijgen. Het gedrocht heeft de tijd. Omwonenden zijn te druk bezig met filmen, niemand denkt eraan de politie te bellen. Het bebaarde hoofdgerecht wordt in de toevallig nog functionerende oven gepropt. Gelukkig had het gezin een Smeg Maxi-oven waar een volledig persoon in past. Bij binnenkomst had het gedrocht dit fraai staaltje techniek al in zijn ooghoek zien langskomen en het “perongeluk” gemist bij het vertrappen van de woonkamer. Beter nog, hij had de over vast voorverwarmd op 220 graden Celcius. De vader werd eringepropt. Natuurlijk probeert hij, net zoals alle andere hoofdgerechten, de oven te ontsnappen dus heeft het gedrocht een dwarsbalkje tegen het deurtje gezet. Dit was een mooi moment om de salade voor te bereiden.

In de tuin stond een rijtje slecht gesnoeide coniferen die hij uit de grond trok. Dat er wat grond meekwam in de salade vond hij nooit zo erg. De takken van de conifeer trok hij los van de stam. Met hij bedoel ik het gedrocht dus, wie anders pff. De coniferenbladeren werden bij elkaar gelegd in de woonkamer en namen een gedeelte van het bloed op. De benen snijdt hij altijd in stukjes met de elektrische heggenschaar. Maar die was stuk dit keer. Dan maar met de handen losscheuren, lekker op z’n surinaams. Nog even wachten op het hoofdgerecht, hij was bijna klaar nog 4 minuutjes volgens zijn timer. Hmm hmm. Het gedrocht dagdroomt een beetje over Fifa voetbalspelletjes en genetisch gemodificeerde aubergines.

Dan gaat de timer, vader is klaar. Hij is heel krokant geworden. Alleen het hoofd is iets verbrand, Dat gebeurt altijd het snelst. De oren, de neus, ze raken altijd verbrand. Doe je niets aan. Ook de oogkassen zijn volledig leeg en zwartgeblakerd. Het gedrocht gaan in de woonkamer zitten in kleermakerszit. Links; vader-uit-de-oven, rechts: benensalade. Eet smakelijk gedrocht!

Satan en Henk

In het land woont een man die niets te verliezen heeft. Naam: Henk. Beroep: Visser. Alweer? Nee. Beroep: Melkboer. Lekker, met melk zeulen. De melkboer is een man in een witte jas met een karretje en een witte bus. We zien hem tegenwoordig niet zoveel meer maar hij is er wel. Zeker als we het jaartal wat terugdraaien. Jaartal? 1956. Lekker oud. De man in de witte jas is melkboer en hij brengt melk rond in doorzichtige, glazen flessen met een gouden dop. Niet echt goud, hoewel hij er wel eens over na heeft gedacht. Wat als ze één keer, bij wijze van uitzondering, een fles uitbrengen die een gouden dop heeft? Dan kunnen mensen opeens een fles winnen met daarop een gouden dop. Dat betekent dan dat ze een geldprijs winnen, of een gouden dop. Dat zou vast voor meer verkoop zorgen. Wie wil er nou niet een gouden dop van een melkman ontvangen?

De melkman wandelt, met een kratje melk naar de voordeur toe. Mensen willen nou eenmaal melk. Af en toe doet er een mevrouw open die dan een beetje zwoel staart naar de melkman. Je weet wel wat ik bedoel. Maar de melkman kent zijn plek. Alleen witte melk, geen andere substanties. En dat doet hij goed hoor. Sharif, de andere melkman van het dorp op de hoek neemt zijn taak niet zo nauw. Zijn motto: klanten kun je maken.

Henk de melkboer komt na een uurtje werken aan bij een huis dat vrij groot is, hoe groot vraag je je af? Dat wil ik ook wel weten maar ik heb geen rolmaat bij me. Heel groot. Zo’n kast van een huis. Niemand zou voorzien dat deze dag anders zou verlopen dan andere dagen, zelfs andere dagen die van zichzelf al anders verlopen. Anders, dat is deze dag ten voeten uit.

Afijn, de melkman loopt, een eindje te lopen. Lekker lopen, lekker lopen. Het is immers een groot huis. Wacht hij is er al. Hij kent deze mensen. Het huis is van Jonkheer Froebel de la Krab-Veleijn-Haribal en zijn vrouw Trees. Jonkheer Froebel werkt thuis, hij zit boven in zijn royale met mahoniehoutenkantoor beklede slaapkamer zich om te kleden. Hij staat net op het punt om in zijn met mahoniehoutenslaapkamer beklede kantoor wat werk te verrichten, en daarvoor trekt hij graag “Werkkleding” aan, iets waar hij maar al te graag grapjes over maakt. Want het is natuurlijk gewoon een overhemdje. Trees zit beneden in de theekamer op een houtje te bijten. Ding dong. Daar is Henk, de melkman. Maar Trees doet niet open, Jonkheer Froebel doet niet open. Degene die open doet is Satan, de bediende.

“HALLO WIE IS DAAR” brult Satan. “De melkman”, zegt Henk voorzichtig. Er komt rook onder de deur vandaan. Satan had net een sigaretje opgestoken voordat hij open deed. Satan, de bediende, is maar wat blij met de melk. Deze ochtend had Jonkheer Froebel hem nog uitgefoeterd (Jonkheer Froebel houdt van roerei met een scheutje melk), dus nu kon hij morgen weer ontspannend aan het ontbijt beginnen. Satan afrekenen, Henk melk geven, iedereen blij. “Dààg”, “Hoooi”. Of.. Wacht eens even. Hij heeft te veel wisselgeld teruggegeven! En in de jaren 1956 was dat een ramp. Satan was inmiddels naar binnen, maar hij had de deur niet goed dichtgedaan. Onhandig. Henk tuurt om de hoek van de deur. “euh, pardon? Hmm?” Geen gehoor. Satan is weg.

Jonkheer Froebel de la Krab-Veleijn-Haribal is een verre afstammeling van het legendarische Krab-Veleijn geslacht uit West-Schots IJsland. De laatste tak, een sterk geslacht. Elke jaar komt de hele familie De la Krab-Veleins (kortweg ‘de la’, voor directe vrienden en familie, andere mensen die ‘de la’ zeggen worden gefussileerd. Nu gebruiken we het even voor het gemak. Daar dit een fictief verhaal betreft vertrouw ik er wel op dat het wel even goed gaat) bijeen voor een potje Golf.

De melkman loopt verder door het lege gebouw, op zoek naar Satan. Of nou ja, niet echt op zoek. Maar hij wil zijn wisselgeld terug. Godverdorie, hoe moeilijk kan het zijn. Dan treft hij daar Trees aan, nog altijd bijted op een houtje. Nu is Trees het type vrouw dat je krachtig kunt noemen. Je kunt haar een beetje vergelijken met een walvis. Ze is ook een zoogdier. Haar slanke postuur, goudkleurige haren en witte huid doet Henk denken aan de melkfles met de gouden dop. Hij heeft haar gevonden. Dit kon geen toeval zijn. Henk steekt een sigaretje op. Trommeletrom. Trommeletrom, we horen een trommelend geluid. De vrouw, Trees is een trommelaarster. In haar mond een houtje, in haar handen twee trommelstokken waar mee ze een vel bewerkt ter grootte van pak ‘m beet een koekepan. Trommeletrom. Het is een apart tafereel, en Henk is geintrigeerd.

Henk staat in de deuropening te kijken naar zijn Sirene. De goudharige bleke vrouw met haar trommel. De wereld verdwijnt. Even is er geen vloer meer, geen raam, geen lamp, geen sigaretje. Geen niks niet. Alleen haar, en hij en een dreunend tromgeluid. Henk kan het niet laten. Zijn mond valt open, het sigaretje valt uit zijn mond. Maar de tijd en de ruimte staan stil. Het sigaretje blijft op de plek staan waar Henk inmiddels niet meer staat. Achter zich, boven zich, onder zich, zwart. Henk, in zijn hand een mandje met zes lege flessen. Ze vullen zich met leegte, De vrouw blijft trommelen, trom trom. Ze heeft hem door, maar ze reageert niet.

De Melkman, hij is er en hij heeft nog steeds een witte jas aan. Witte jas. Hij loopt door het huis en bewondert de trommelende Trees. Achter zich staat Satan en Henk heeft hem niet door. Satan is van het schrikken. Hij tilt zijn hand langzaam op en dan plots, tikt hij tegen het oorlelletje van Henk. Henk kijkt om en ziet Satan snel wegrennen. Nu is Satan niet zo groot dus Henk rent achter hem aan en heeft hem zo ingehaald. De gang is lang. Henk komt naast Satan rennen. Henk zegt dat hij dat niet fijn vindt wat Satan nou net heeft gedaan. Satan zegt oh sorry, het ging perongeluk maar Henk gelooft dat niet zo, dit soort dingen gaan niet per ongeluk. Henk en Satan rennen een eindje door de gang. Ze zijn nu toch lekker bezig dus waarom niet. Ze komen langs een schilderij van Jonkheer Froebel. Zo’n statig portret, waarop het lijkt alsof de geportretteerde je vanuit elke hoek van de kamer aankijkt. Jonkheer Froebel rookt een pijp op het portret.

Terug naar Jonkheer Froebel in zijn werkkamer. Hij rookt een pijp. Hij zit in zijn werkkleding in zijn werkkamer te werken aan werk. Man man, wat kan die man werken. Als Jonkheer Froebel hard aan het werk is, bijvoorbeeld om zijn vispetjesfabriek in goede banen te leiden, dan neuriet hij altijd in zichzelf. Hmm hmm hmm, werkiewerkie, hmm hmm. En soms, als hij heeeeel erg veel te doen heeft, dan schreeuwt hij heel hard HM HM HM WERRKRKKIEE WEEEERKIE WEEERKIE. Daarmee kwam het werk sneller af. Je zou zeggen dat dat juist alleen maar slecht is voor de concentratie. Maar dit was niet het geval bij Jonkheer Froebel. Het was zelfs zijn geheime wapen, waarmee hij sneller en harder kon werken dan de concurrentie van de vispetjesfabriek en andere visgerelateerde fabrieken die hij ook in bezit heeft sinds de overname van ’54.

De pijp van Jonkheer Froebel is opgeraakt, dus hij heeft meer pijpspullen nodig. Hij roept zijn bediendeSATAN SATAN WAAR BEN JE. Geen gehoor. He, verdorie. hmm hmm LOOP LOOP LOOP Jonkheer Froebel wil snel lopen. De pijpspullen heeft de heer Froebel dacht ik beneden neergelegd, dus hij gaat daar even kijken. Ja inderdaad daar ligt het. Beneden is ook Trees aan het trommelen. “Goedendag Trees, hoe maakt u het?” HEEEL GOED FROEBEL IK BEN AAN HET TROMMELEN.” Trees stopt met trommelen. Een stilte valt over de kamer heen. Dus begint ze maar weer. TROMMEL TROMMEL TROMMEL. Froebel heeft zijn pijpspullen en wil weer naar boven. Maar hij is toch benieuwd naar waar Satan is. Froebel loopt een kamer in. In de kamer staat een standbeeld, maar geen Satan. Froebel loopt de keuken in. In de keuken staat een chef, Megatron, de bietjes te snijden. Hmm. Bietjes. Maar geen Satan. Dan maar de lange gang in, zucht. Erg praktisch was het niet om een gang van 5km te laten bouwen, maar hij had wel de langste gang van de hele wereld.

Satan en Henk zijn inmiddels lekker in een jogtempo geraakt. Ze komen langs een hoop interessante dingen. Satan was zelf nooit zo ver in de gang gerend, omdat Froebel meestal in het huisgedeelte zelf zit. Iedereen was het er eigenlijk wel mee eens dat de gang een erg onpraktisch ding was. Froebel zal wel blij zijn dat hij een keer goed gebruikt wordt. Maar zo zie je dat vaak bij gangen van 5km. Het lijkt leuk maar na 3 keer doe je er niets meer mee. De gang buigt en helt een beetje naar rechts. Zeer aangenaam lopen is dat wel. De gang is behangen met een verticaal strepenpatroon, heel chique, heel wow. Dat geeft het gevoel alsof je heel snel gaat als je door de gang rent. Het was een idee van Froebel zelf. In de verte zien ze een splitsing. “Huh? ik wist niet dat er een splitsing was!” Riep Satan. “Kom we gaan linksaf” zegt Henk de Melkman in de hoop dat het een lus is en hij uiteindelijk weer omgedraaid is en daarmee terug de gang in loopt. Satan vindt het een goed idee en samen loopt het duo links de splitsing in. Meer gang, meer van hetzelfde.

Jonkheer Froebel is inmiddels een stuk op weg in de gang. hm hm hm loop loop loopie loop. Hmm, deze gang moet nodig eens een keer afgestoft worden. Maar er staan verse voetstappen op de vloer. Twee paar! Froebel voelt zich opeens wat minder veilig en alleen in zijn eigen gang. “Die gang was een slecht idee” denkt de jonkheer. Froebel staat stil. Achter zich heel stil het getrommel van Trees. Voor zich hoort hij ook wat. Hij hoort twee paar voetstappen. Ze worden luider. Daar komen Satan en nog iemand aan, wie is dat? En waarom joggen ze? “HOOOO HOOOOO STOP” Roept Froebel. Wat moet dat in mijn huis? Satan en Henk stoppen hijgend en puffend voor de heer Froebel. Henk probeert een hand te geven aan de markante eigenaar van het pand maar hij heeft zijn handen vol met een rekje lege melkflessen en in de andere hand wisselgeld.

“Henk komt zijn wisselgeld ophalen” zegt Satan, die inmiddels tijdens het joggen even kennis heeft gemaakt. Froebel trekt zijn portemonnee. “Alsjeblieft jongen” zegt Froebel terwijl hij Henk 2,50 geeft. “Maar goed dat ik die lus in heb laten bouwen, anders was ik jullie voor altijd kwijt geweest”. Hahaha iedereen lacht. “Ja, nou, we hadden ook om kunnen keren” zegt Henk vervolgens. Froebel en Satan kijken elkaar aan. Zo hadden ze er nooit over nagedacht. Satan steekt een sigaretje op. Henk sjokt maar weer richting de voordeur. Nog 1km terug te gaan. Wat een dag. Froebel en Satan lopen mee. “Satan je moet hier een keer stof afnemen, kijk eens wat een stof.” Satan lacht en zegt: “Haha, je bent zelf stof”. Henk moet lachen. “HAHA” Froebel moet lachen. “HAHA LACHIE LACH” Satan moet nu ook lachen HAHAHA. Iedereen moet lachen HAAAA HAAA HAAA

Henk is weer bij de melkbus aangekomen. “Nou, ik ga maar weer.” Satan en Froebel zwaaien hem uit. Henk rijdt in zijn witte busje de lange oprit uit en draait de weg op. Satan zegt tegen Froebel: “Dat is de meest toegewijde melkman die ik ooit heb gezien”. Froebel vraagt of hij morgen weer zijn oude omeletje krijgt. “Ja.” Zegt Satan. “hmm hmm” zegt Froebel en hij loopt de trap op, naar boven om verder te gaan zijn fabrieken in goede banen te leiden.

Trommel trommel. Trees kijkt sluw. Was dit het einde? Nu misschien wel. Maar misschien ook niet.